vredesstad ieper

Het Kattenwerpen

Ieper was een lakenstad en dankte zijn welvaart aan de lakennijverheid. De wol, die werd ingevoerd vanuit Engeland, werd opgestapeld in de Lakenhalle totdat het verkocht werd aan de ambachtslieden. Nadat de wol was verwerkt tot laken, kwam het terug in de halle terecht waar het bleef liggen tot het tijd was voor de jaarmarkt. Het laken trok echter muizen aan, die er zich tegoed aan deden en zich nestelden en voortplantten in de stof. Als oplossing voor dit probleem besloten de inwoners van Ieper om een aantal hongerige katten los te laten in de Lakenhalle. In het begin ging alles goed. De katten aten de muizen op en het laken was gered. Maar al snel werd ontdekt dat het plan een nadeel had. De katten gaven zich niet alleen over aan hun jacht- maar ook aan hun voortplantingsdriften. In plaats van met een overschot aan muizen en ratten zat Ieper na een tijd met een overschot aan katten. Er werd niets beters op gevonden dan de dieren van de Halletoren te gooien als middel ter verdelging. De echte reden zal waarschijnlijk nooit aan het licht komen.

De vroegste beschreven sporen over het Kattenwerpen kan men pas zien in de stadsrekeningen uit de jaren 1410-1420 waarin er daarover werd geschreven. De Ieperse kronieken brengen het Kattenwerpen vaak in verband met de O.-L.-Heer-Hemelvaartfoor die al in 1127 bestond. Nadat de foor in 1476 verplaatst zou zijn naar de tweede week van de Vasten, werden de katten op wat 'Kattenwoensdag' genoemd werd naar beneden geworpen. Een bepaalde kroniek vermeldt dat de dieren in het begin uit de St.-Maartenskerk en sinds 1231 uit de Belforttoren gegooid werden. Volgens een andere kroniek werd deze laatste toren pas in 1304 voltooid. Uit teksten van het dagboek van Augustus van Hernighem, een kroniekschrijver, kan men opmaken dat het aantal katten dat geworpen werd, een symbolische waarde had. In jaren dat het met de stad niet zo goed ging werden er meer katten geworpen dan in goede jaren. In 1594 bijvoorbeeld, een jaar waarin de zaken een gunstiger uitzicht hadden, werden er slechts drie katten gegooid. Waarom is niet duidelijk.

Jean Jacques Lambin, een Ieperse archivaris die stierf in 1841 zou meerdere malen getuige geweest zijn van het Kattenwerpen.  Hij was er bij toen in 1817 de laatste levende katten van de toren geworpen werden. Volgens Lambin heeft de allerlaatste levende kat de val overleefd. Het beestje ging er zo snel als het kon vandoor, niet van plan zich nog een keer voor hetzelfde doeleinde te laten vangen.

Van 1817 tot aan de Eerste Wereldoorlog bleef er van de Kattenfeesten in Ieper enkel nog het spelen van de beiaard op Kattenwoensdag over.

vredesstad ieper